Jack Russell
Voor de jacht op waterwild waren Retrievers de aangewezen honden, voor de jacht op klein wild werden staande honden ingezet. Voor sommige jachtvormen werd zelfs een speciale hond gefokt. Denk bijvoorbeeld aan de Teckel, die werd gefokt voor de jacht op dassen. Voor de jacht met een meute werd tot halverwege de achttiende eeuw de Beagle gebruikt, deze hond was te voet bij te houden door de jagers. Toen deze jachtvorm plaats maakte voor de jacht te paard, werd gekozen voor een andere hond. De Beagle raakte op de achtergrond, ten gunste van de Foxterriër.
Foxterriërs beschikten over veel uithoudingsvermogen. Ze liepen in een meute voor de jagers te paard uit. De felle Terriërs bleken uitermate geschikt als vossenjager, ze waren echter te groot om de vos tot in zijn hol te kunnen achtervolgen. De jacht eindigde vaak in een graafpartij, waarbij men met spaden en schoppen probeerde de vos uit zijn hol te krijgen.
Fokprogramma
In de negentiende eeuw begon dominee (in het Engels: Parson) John Russell met het fokken van een stam Foxterriërs, die klein genoeg waren om de vos zelfs in zijn veilige hol te kunnen volgen. Uit deze Foxterriërs ontwikkelden zich twee verschillende hondjes: de hoogbenige Parson Russell Terriër en de laagbenige Jack Russell Terriër. De Parson Russell Terriër was groot genoeg om zelf mee te lopen in de meute, de laagbenige Jack Russell kreeg tijdens de jacht een plekje in de zadeltas of voorop het zadel.
Werkhond
Waar veel honden in de loop der jaren een deel van hun kenmerkende eigenschappen zijn verloren – bijvoorbeeld door hun nieuwe functie als huishond en schoothond – is de Jack Russell nog steeds een echte Terriër. Hij is oorspronkelijk gefokt tot werkhond, hij is energiek en onvermoeibaar en heeft nog altijd een duidelijk aanwezig jachtinstinct. Zijn schattige uiterlijk is ietwat misleidend, er zit namelijk een groot karakter in dat kleine lijfje. Moedig en onverschrokken gaat de Jack Russell overal op af. De grote, valse hond van de overburen kan hem niet van zijn stuk brengen. Toch is de Jack Russell ook een hele prettige hond om in huis te halen, hij is namelijk erg vriendelijk en sociaal. Hij is graag in de buurt van zijn baasje en is altijd in voor een knuffel of een spelletje, eigenschappen die allemaal terug te voeren zijn op zijn verleden als jachthond. In de meute moesten de honden sociaal zijn om geaccepteerd te worden, de hondjes zijn altijd samen. Jachthonden hebben moed en intelligentie nodig om hun taken goed te kunnen uitoefenen, in het veld werken ze zonder aanwijzingen van de jager. Zelfstandigheid is een deel van het karakter van alle jachthonden, dus ook van de Jack Russell Terriër.
Populariteit
De populariteit van de Jack Russell Terriër is na de Tweede Wereldoorlog erg snel toe- genomen, vooral bij mensen met paarden is het een geliefd hondje.
Lange tijd zijn de Parson en Jack Russell Terriër geen echte rashonden geweest, ondanks de inspanningen van de vele fokkers die verknocht waren aan deze kleine hondjes. De Jack Russell werd pas in 1999 in Nederland erkend als ras, de Parson Russel Terriër iets eerder. In 2001 is het ras internationaal erkend.
Wist je dit...?
- De Jack Russell werd pas in 1999 in Nederland erkend als ras
- Jack Russells zijn zeer trouw
- Vooral bij mensen met paarden is de Jack Russell een populaire hond
- Jack Russells zijn erg energiek, ze hebben dan ook veel beweging nodig
- De Jack Russell doet het erg goed bij flyball en op behendigheid











